31 juli: Vigo – Baiona

Baiona is de laatste treffelijke haven vòòr Portugal. 15 mijl verwijderd van Vigo, spijtig genoeg volledig op motor met nauwelijks een zuchtje wind (1-3 knopen). Na een frijze start kwam het zonnetje snel te voorschijn en zou ons vandaag niet meer verlaten. Tegen de middag aangekomen. Baiona is een sympathiek badplaatsje met een mooi oud centrum. En de jachthaven Monte Real Club is zeer mooi, goed uitgerust, gelegen aan de voet van een rotsig schiereiland waarop het fort Montereal, nu een parador, ligt te pronken. En er was hier veel pronk te zien: het clubrestaurant, een prachtig gebouw met kasteelallures wordt uitgebaat door de parador en de boten naast ons waren allemaal Boten met hoofdletter B. Gemiddelde lengte 50 voet. Velen zouden niet misstaan in St-Tropez of Monaco. En dan was onze 37-voeter hier een lilliputterke. 

Maar ondanks alle pronk waren de douches niet open, wegens Covid-19. Die pronkboten hebben natuurlijk allemaal hun eigen ruime badkamers en hebben daar geen last van. Wij hebben dus ook maar noodgedwongen voor het eerst onze eigen binnendouche in werking gesteld. En dit ging wonderwel goed. Weeral een ervaring rijker. Moeten er wel rekening mee houden dat een douchebeurt van ons beiden een kwart van onze watervoorraad verbruikt. 

Gezien de weersvoorspellingen zullen we hier wel nog een aantal dagen blijven. Windstoten van meer dan 40 knopen zijn niet echt leuk.

30 juli: Vigo

Opgestaan met een grijze hemel. En de zon zouden we vandaag maar in heel beperkte mate te voorschijn zien komen. (“Misschien goed dat we niet naar Isla de Cies zijn gegaan” – hoe nen mens zich toch gemakkelijk kan troosten). Tijd genoeg om Vigo te bezoeken, een grootstad met meer dan 300.000 inwoners, met veel winkels (het meestvoorkomende merk is hier Se Alquiler) . De Mercado da Pedra stond in de gids vermeld als de markt, waar de oestertenten in de buurt hun waar kochten. Die oestertenten zijn er nog steeds, maar moeten wellicht naar de lokale Makro gaan, want de Mercado de Pedra is een stoffig, grijs en potdichte aangelegenheid. Maar we hebben dan toch ( lekkere) oesters geproefd. Op het einde van de wandeling toch een paar mooie plekjes ( = terras) gevonden in de oude buurt. Maar conclusie was toch dat Vigo toch niet echt the place to be is.

29 juli: Combarro – Vigo

Vandaag was Vigo onze bestemming. 25 mijl varen.  8 ( en afnemend) knopen wind van achter. Een poging tot vlinderen werd door onze zeilen beantwoord met wat gefladder. Stoute zeilen terug ingenomen en op motor verder, in een stomende hitte, die nauwelijks door dat zuchtje wind werd getemperd, richting Vigo. Het zou morgen op de Isla de Cies, dat vòòr de kust van Vigo licht, en tot de mooiste stranden van de wereld wordt gerekend, zalig genieten worden. Rond halftwee meerden we aan in de Marina de Vigo, naast de vissershaven en pal in het centrum. Prachtig hoofdgebouw, gebouwd in 1945 in de stijl van een pakketboot met veel ornamenten, koper en hout, en veel personeel, maar het sanitair was terug eerder basic, en de douches enkel geschikt voor exhibitionisten. Dus niet voor ons, preutse westvlamingen. 

In de latere namiddag dan naar het kantoor van de ferrymaatschappij Mare de Ons, om tickets te kopen voor Isla de Cies. De douches van de club hadden we niet meer nodig en bij dit hete weer misschien ook welkom, want hier kregen we een koude douche. Het eiland mag maximaal 1.800 bezoekers per dag ontvangen. Die moeten zich vooraf op een overheidssite registreren, en ontvangen dan een unieke code waarmee ze een ticket kunnen kopen. We hadden daar iets van gehoord via Guy van de Mafre, maar hadden gedacht dat dit, gezien het tot nu zeer kalm toeristisch gebeuren, zulk geen vaart zou lopen. Neen dus: eiland volzet tot 8 augustus……. We hadden dus voor niets twee dagen geboekt en betaald in de marina.  Dan maar een beetje door het oude stadsgedeelte van Vigo, de oude vissersbuurt gewandeld . Niet veel soeps. Morgen zouden we meer tijd, en goesting hebben om de stad te bezoeken.

28 juli: dagje Pontevedra.



In de reisgids lazen we dat het dichtbijgelegen provinciehoofdstadje Pontevedra 1 ster had (“ interessant als u in de buurt bent”). En wij waren in de buurt, op fietsafstand ( ca 10 km).
Mooi fietstochtje, grotendeels langs de Ria, en met frisse hellingen, die ons eraan herinnerden dat we electrische fietsjes hadden. Waarvan we dankbaar gebruik maakten.
Het stadje Pontevedra was echt deze moeite waard. Oorspronkelijk was dit een drukke, rijke  havenstad, maar in de 18de eeuw was die onbruikbaar geworden door verzanding van de Ria. Door het stilvallen van het belangrijkste economische leven, werd het een sluimerend stadje, dat juist hierdoor haar 18de eeuws karakter heeft behouden. Beetje hetzelfde lot als wat Brugge een paar eeuwen daarvoor is overkomen. Het was dus ook zalig ronddwalen door de nauwe straatjes, veelal onder lommerrijke arcaden, en met zicht op mooie balkons, torentjes, wapenschilden, enz. En daar boven op een lekkere betaalbare lichte lunch op het terras van de taperia Xantar, op de Praza de Lena. Het staat terecht in de Guide Michelin !
In de late namiddag dan terug naar Combarro, want ook dit stadje heeft zijn charmes. Er zijn inderdaad enkele nauwe, eeuwenoude straatjes, waar je zo kunt in verdwalen. Maar de charme verdween achter hordes (spaanse) toeristen, restaurants en bars die die toeristen wilden binnenlokken en souvenirwinkeltjes met overal dezelfde ( in China gemaakte) brol. We hielden het snel voor bekeken. De Arwen heeft ook zijn charmes.

27 juli: Ria de Muros – Combarro



Het werd dus Comborra, in de Rio de Pontevedra, ipv Cambados, in de Rio de Arousa. Cambados leek op het eerste zicht wel een aantrekkelijke bestemming, de hoofdstad van de albariño, de lokale ( lekkere) witte wijn. Maar het haventje was enkel voor vissersboten bestemd, je kon er wel aanleggen, maar zonder enige facilteit. We zouden die Albariño dan maar ergens anders proeven.

Het vroegere vissershaventje Comborra ligt helemaal op het einde van de Ria. De ene Ria uit en de andere Ria in betekent dus wel een serieuze afstand. We deden een goede 7 uur over een afstand van 43 mijl, volledig op motor. Want het is hier meestal alles of niets, wat windkracht betreft.
De jachthaven van Combarro is van tamelijk recente datum, en met de nodige ambitie aangelegd. Met een hoofdgebouw uitgerust voor horecazaken en winkels, die echter, met uitzondering van 1 bar, allemaal leeg stonden. Gaf toch een wat desolate indruk. Maar wel vriendelijk havenpersoneel. En de supermarkt en bakkerij lagen er heel dichtbij.

25-26 juli: Ria de Muros

Gisteren hadden we al wat kunnen wandelen in het sympathieke stadje, dat blijkbaar ook bij vele Spanjaarden geliefd is. Het was er echt druk, en de horeca beleefde mooie momenten. Verteer kwam echter niet van de buitenlandse toeristen, want die zijn er niet, of nauwelijks. De havenmeester wist te vertellen dat er nog geen 20% van de normale bezetting werd geboekt. Ocharme, maar voor ons betekent dit dat er nooit stress is om een ligplaats te vinden.
Vandaag 26 juli, hadden we een verkenning van de Ria gepland, een beetje varen en het ankeren testen in een baaitje (wij hadden nog nooit met de Arwen geankerd, en Ann had zelf nog nooit een ankermaneuver uitgevoerd). Wonderwel verliep het maneuver vlekkeloos, pakte het anker onmiddellijk en bleef de Arwen mooi liggen in het gekozen baaitje. Volgende test: de dinghy in het water en de buitenboordmotor starten. Tot mijn grote verbazing startte die onmiddellijk. Een toertje rond de boot en terug vastleggen. Nu nog een frisse duik in het water. OK, maar de klemtoon lag toch iets teveel op “fris”. Ik heb eens wat rond de boot gezwommen maar was vlug terug uit het water. Om het zeewater af te spoelen, en om het gebrek aan treffelijke douche in de haven te compenseren, wilden we eens de buitendouche op de boot uitproberen. Vandaag kon echt niets stuk, want die werkte ook voortreffelijk. Het was zalig douchen, en deed ons denken aan de vroegere tijden, toen we met de kids buiten op de charterboot op de Griekse eilanden douchten. Waww! Nu was het echt een Griekenlandgevoel ( maar Griekenland ligt nog ver). Nog een picnicje aan boord, en dan op zeil terug naar her stadje Muros. Vanavond gaan we gaan eten in het restaurant Bar La Muelle, want deze mooie dag, die ook mijn verjaardag is, willen we in schoonheid afsluiten. Morgen varen we naar de Ria de Arosa. We kunnen er niet genoeg van hebben.

24 juli: Muxia – Muros (37 mijl) – Cabo Finisterre !

Vandaag zouden we Cabo Finisterre ronden. Gisteren was het daar blijkbaar nogal ruw, want een Fransman, die vanuit die richting was gekomen en we een hand hadden toegestoken bij het aanmeren, was er nog van onder de indruk. Maar vandaag voorspelden de meteo’s eensgezind rustiger weer.

We vertrokken iets na 8u, met een kille 16° onder een grijze hemel, met een armzalige 6 knopen wind uit het Noorden. Maar iets na 9 uur kwam de zon ons weer gedag zeggen en zou dat de hele dag blijven doen. En een half uur later heb ik voor het eerst een walvis gespot. Ik dacht eerst een dolfijn te zien, maar het donkergrijze beest was zo groot (ik schat minstens 4 meter) dat het wel een walvis moest zijn. Spijtig genoeg had ik het dier te laat gezien, zodat ik het Ann niet tijdig kon aanwijzen. En het kwam niet meer terug aan de oppervlakte.

Richting Finisterre waren weinig boten, die ons vergezelden, maar in de tegengestemde richting zagen we er minstens 15. Allemaal boten die aan de andere kant zijn blijven liggen, wachtend op beter weer. En de zee bleef kalm, zodat niets er op wees dat we langs de Costa del Muerte aan het varen waren. Iets voor de middag rondden we Cabo Finisterre. En konden we ook de zeilen hijsen, en al vlinderend (voorzeil aan bakboord -links, en grootzeil aan stuurboord -rechts) de motor afleggen en met een achterlijke wind van 10 – 12 knopen toch een vaart van gemiddeld 5,5 knopen maken. Zalig. Pas het laatste stukje, toen we al in de Ria richting Muros voeren, hebben we de motot weer moeten aanzetten, om daar rond 15u15 aan te meren. Volmaakte trip. En een glaasje cava om de afloop van deze langverwachte (en, onterecht, ook gevreesde) etappe te vieren. Proost.

Muros zag er mooi en sympathiek uit, het weer was goed, en we wilden een aantal zaken doen, zoals de blog verder aanvullen, voor het eerste ankeren met deze boot in één van de vele mooie ankerplekjes in deze Ria, en mijn verjaardag vieren, zondag. We zullen hier dus een paar dagen blijven.

23 juli: A Coruña – Muxia (50 mijl)

Eindelijk, de meteo gaf een ander beeld: het ergste was bijna voorbij. Zeker voor het deel tot Muxia moesten we ons geen zorgen maken. Om7u45 trossen los, en onder een mooi vers zonnetje richting zee. Op motor, want nauwelijks een zuchtje wind. En dat ontbreken van wind zou ons parten spelen: na een half uurtje voeren we in dichte mist, die hardnekkig bleef hangen. Op een bepaald moment hadden we zo weinig zicht dat ik zelfs de radar moest aanzetten. Dat ging zo meer dan een uur door, en toen tegen halftien de mist verdwenen was, was ook de zon weg. En koud dat het werd. Trui en zeilvest aan. Tegen de middag was de zon echter terug op post en de wind kwam een half uur later ook met een gezellige 12 knopen opzetten zodat we eindelijk de zeilen konden hijsen.

Iets na 16u meerden we aan in Muxia. Dit is een very basic haven, waar de havenmeester ook een tankstation uitbaat. De sanitaire voorzieningen waren gehuisvest in een barak, en eveneens basic. Maar net, en de alcoholgel alom aanwezig. Het stadje is ook een niemendalletje, met nochtans bescheiden toeristische ambities, maar waar covid-19 ook had toegeslagen. Wellicht 1 horecagelegenheid per zichtbare toerist. En de haven was voor 10% gevuld.

14-23 juli: A Coruña

De diverse weersvoorspellingsapps waren eensluidend: van A Coruña tot over Cabo Finisterre (Cabo Fisterra in het galicisch zou het de volgende dagen spoken, zemfs meer dan een week. Uiteindelijk zijn we 9 dagen blijven liggen. Niet voor niets wordt de kust langs Cabo Finisterre de “Costa del Muerte” genoemd. En wij hadden geen ambitie om tot deze gemeenschap toe te treden.

We hebben er wel van de gelegenheid geprofiteerd om op 16 juli een hotel in Santiago de Compostela te boeken, zodat we 2 dagen konden uittrekken om deze prachtige stad te bezoeken. Een stad met een rijke geschiedenis, weerspiegeld in de prachtige, grotendeels middeleeuwse gebouwen in de binnenstad, met de kathedraal als topmonument. Spijtig genoeg stond het gebouw voor een groot deel in de steigers. Volgend jaar is het immers een “heilig jaar”, want dan valt de feestdag van de heilige apostel Jacobus (of Santiago), 25 juli, op een zondag. Het is de bedoeling dat de kathedraal tegen dan zou gerestaureerd zijn. Maar naar onze mening zullen die steigers er nog veel langer blijven staan (en dat is niet alleen de fout van het corona-virus…).

Terug in La Coruña was de situatie nog niet veel veranderd en bleef het spoken op zee. Zo erg zelfs dat de zeer hoge deining, die ontstond door de zware wind, ook in de haven meer dan voelbaar was en de boten deed trekken aan hun touwen. Nefast voor de nachtrust (en het humeur van Ann). De dag daarop hebben we onze boot verhuisd naar de andere haven van La Coruña, de Marina Real, in he centrum van de stad, waar we geen korting kregen maar toch wat rustiger lagen. De volgende dagen hadden we tijd genoeg om La Coruña te bezoeken, te voet of met de fiets. We hadden nooit vermoed dat La Coruña een grootstad was met meer dan 250.000 inwoners. Maar het centrum, waar de marina lag, was nog grotendeels historisch, en verkeersvrij of minstens verkeersluw. En met Diana en Guy van de Mafra (hun boot lag in de haven van Sada, aan de overkant van La Coruña) hebben we nog afgesproken om samen iets te gaan eten en door de stad te wandelen. In die 9 dagen hebben we ons geen moment verveeld.

14 juli: Viveiros – A Coruña (57 mijl)

Het was vroeg opstaan, 6uur, maar we hadden toch een relatief lange tocht voor de boeg. We moesten die tocht wel vandaag doen, en ineens tot La Coruña (of A Coruña in het gallicisch) want de meteo voorspelde weinig goeds voor de daaropvolgende dagen. Het werd een rustig tochtje, gelukkig voor een groot deel op zeil. En tot driemaal toe konden we genieten van het mooie schouwspel van een groepje dolfijnen.

En zo bereikten we, na 10 uur varen, het legendarische La Coruña. Elke zeiler, die vanuit het Noorden naar Spanje en verder wil trekken, passeert via deze haven. De meesten vertrekken vanuit La Rochelle, of een andere haven in de buurt, om dan in 1 trek, die minstens 3 dagen in beslag neemt, naar daar te varen. Het spijt ons echter niet dat wij het op ons gemakskes langs de kust van Biskaje hebben gedaan. Het is rustig varen geweest en, zoals is gebleken, hebben we veel mooie plaatsjes gezien, die die rappe gasten allemaal hebben gemist.

Maar ook in de jachthaven van La Coruña zijn de gevolgen van covid-19 zeer zichtbaar: waar gewoonlijk de haven zeer vol ligt, lagen er nu slechts een 10-tal buitenlandse boten. Men had zelfs maar een deel van de pontons in gebruik gesteld.

13 juli: Ribadeo – Viveiros (30 mijl)

Het beloofde een ontspannen tochtje te worden, dat we grotendeels op zeil zouden kunnen afleggen. Rond 9u trossen los. Bij het uitvaren merkte ik dat de gashandel wat spel had. Niet erg, maar ik zou dit in de volgende haven toch beter eens laten nakijken. Na een half uurtje konden we de zeilen al heisen en op een zeer ruime koers (dit wil zeggen met de wind bijna helemaal van achter) konden we zalig genieten. Daarvoor doen we dit.

Bij het ronden van de kaap, richting Viveiros, viel de wind grotendeels weg en moesten we wat motor bijsteken om nog voldoende vaart te maken. Tiens, die gashandel moest ik al bijna helemaal induwen om een beetje toeren te krijgen. Ik begon mij nu wel echt zorgen te maken (maar liet dit niet aan Ann blijken, of er zou paniek aan boord kunnen uitbreken……).

Pas toen we de haven gingen invaren, begon ik er in bedekte termen over te praten. En testte ik al eens de achteruit. En de handel gaf geen kik …… Dat wil zeggen dat ik de boot niet meer in achteruit kon duwen, en dus ook niet afremmen. Wordt dus een hachelijk maneuver. We zagen een ponton waar we misschien  langszij konden aanleggen, maar niet zoveel plaats, want een beetje verder lag een groot schip aangemeerd. Dat zou het dan moeten zijn. Ik kon echter geen gas meer minderen. Dan maar motor volledig uit, zodat we stilaan vaart verloren. En dan voorzichtig zeggen tegen Ann: “pak de meertros van de middenklem, spring uit de boot wanneer je kan, en leg hem om de eerst mogelijke klem op het ponton, …..en je hebt maar één kans”. Ik heb Ann nog nooit zo geconcentreerd gezien, but…..she did it !!!!!! En zo konden we juist op tijd afstoppen zonder de (stalen) boot voor ons te rammen.

Toen we de havenmeester meedeelden dat we geen andere ligplaats konden nemen, en hem van ons probleempje vertelden, veranderde hij voor onze ogen in een reddende engel: er was een technieker van de haven aanwezig en die zou onmiddellijk langskomen. Dat “onmiddellijk” hebben we wel met een Spaans korreltje zout moeten nemen, maar een goede 2 uur later kwam die brave man aan boord. Diagnose: het was niet de kabel van de versnellingshandel die was los gekomen/gebroken, maar het lag aan de handel zelf: die was wat uitgesleten, maar door een schroef nu en dan wat aan te spannen, kon hieraan verholpen worden. Een klein kind kon dat geweten hebben – ik niet dus….. Nu en dan wat zelfkritiek kan geen kwaad, hé.

Enfin, we hadden nog tijd zat om met een gerust gemoed door het niet onaardige Viveiros te wandelen en het nog een terrasje te doen.